1. Dag Hilde, je bent ondertussen al enkele maanden op pensioen. Ben je het al een beetje gewoon?
Iedereen die me kent weet dat ik niet echt naar mijn pensioen heb uitgekeken. Ik deed mijn job heel graag en ik stond zo graag tussen de leerlingen. Ik vind
dat woord ‘pensioen’ niet zo goed klinken, het wordt vaak begrepen als ‘oud en out’ en die invulling wil ik het zeker niet geven. Ik spreek liever van onbeperkte
vakantie.
Ik heb me nog geen minuut verveeld en de invulling van een reeks grotere plannen staat even op pauze door deze uitzonderlijke tijden.
Dat alles neemt niet weg dat ik in gedachten nog vaak door school wandel en vooral denk aan de leerlingen nu die het vaak echt niet gemakkelijk hebben na
het afstandsonderwijs van vorig schooljaar en aan mijn collega’s die in deze moeilijke tijden zoveel extra inspanningen doen bovenop de nieuwe leerplannen
die ze te verwerken krijgen.
 
2. Kun je onze lezers even vertellen hoelang je op Maris Stella hebt les gegeven en binnen welke vakken?
Ik ben gestart in 1979. Ik studeerde af in volle economische crisis van de jaren 70. Zelfs op onze proclamatie destijds werden we daaraan herinnerd: het zou
niet evident zijn om werk te vinden. Ik was één van de gelukkigen die dolblij was met 6 lesuren in Maris Stella, een school die ik niet kende. Doorheen het
schooljaar kwamen daar gelukkig nog uren in 2 andere scholen bij. Het was pendelen met de bus tussen 3 scholen. Daarom zeg ik tegen alle leerlingen: ga
voor je passie, laat je niet afschikken door moeilijkheden op je pad. Ik heb dus al die jaren, tel maar uit, met veel plezier voor de klas gestaan, eerst
in TSO en na enkele jaren ging mijn volledige opdracht naar ASO. In beide richtingen gaf ik Nederlands, geschiedenis en godsdienst.
 
3. Je bent uiteraard één van onze ‘anciens’. Je hebt dus de school doorheen de jaren fel zien veranderen. Wat zijn volgens jou de
grootste transformaties geweest?
Veranderingen maken steeds deel uit van een tijdsgeest en spelen dus op vele vlakken in de samenleving. De school is het kloppend hart ervan. Er zijn zoveel
zaken die ik heb zien veranderen.
Onze school stond altijd gekend als een ‘strenge’ school. Vroeger gebeurde alles veel meer ‘top down’. De strengheid beperkte vaak de spontaniteit. De geest van
open dialoog binnen alle geledingen in de school vind ik een positieve evolutie.We leven nu in een overlegcultuur. We maken samen school!
De aandacht voor de leerling die het moeilijk heeft zat altijd in het DNA van onze school. Doorheen de jaren is ook daar de ondersteuning sterker gedifferentieerd
en uitgebreid met hulp van buitenaf. Denk ook aan het pionierswerk van leerkrachten die het aquarium en rafiki hebben opgestart waar de aandacht voor
het welbevinden van de leerlingen extra aandacht en zorg krijgt. Op technologisch vlak kunnen we natuurlijk niet naast de revolutie in de
informatica heen. Toen manuele puntenlijsten verdwenen en de computer al ons telwerk overnam was dat destijds een openbaring. Toen de school de
infrastructuur van computers en beamers in elke klas mogelijk maakte, kwam de informatica ook rechtstreeks het klaslokaal binnen. Stapsgewijs, aarzelend -
zonder er ooit een opleiding voor te volgen - maakten we ons dit werkinstrument eigen. Voortaan zou het elke les onmisbaar worden. Het was een
wereld van verschil in de didactiek van het lesgebeuren. Maar de computer blijft een hulpmiddel bij het lesgebeuren. Lesgeven vraagt steeds degelijk
voorbereidend werk.
Na 13 maart, de laatste maanden van mijn loopbaan, moest er nog veel bijgebeend worden voor het afstandsonderwijs. Het bleef een boeiende
uitdaging, zowel voor ons als voor de leerlingen. Digitaal hebben we op korte tijd grenzen verlegd.
Ondanks alle technologische vooruitgang is toch doorheen de periode van de lockdown duidelijk geworden dat de taak van de leerkracht in haar persoonlijk
contact met de leerlingen op school van onschatbare waarde is voor het leerproces in zijn geheel en het sociale weefsel dat voor de leerlingen zo
waardevol en onmisbaar is.
 
4. Wat vond je persoonlijk het leukste aan je job?
Het lesgeven zelf, samen met de leerlingen les maken. Een les is immers maar geslaagd als je de leerlingen meekrijgt in je les.
De laatste jaren gaf ik enkel nog geschiedenis: het beste vak noemde ik het steevast. Geschiedenis kunnen linken aan zoveel andere vakken, het kunnen
actualiseren vanuit historische gebeurtenissen… dat is zo boeiend. Lesgeven is nooit af, het is blijven zoeken, vernieuwingen binnenbrengen, bijsturen.
Leerlingen inzichten meegeven waarmee ze ook in andere vakken aan de slag kunnen, ze vertrouwen geven in hun talenten, ze hoger tillen en begeleiden en
ondersteunen om hen daar te brengen zijn allemaal zaken die ik graag meegaf. Onze jaarlijkse studiereis naar Xanten met de 2de jaars was steeds iets waar ik
naar uitkeek. Meestal waren we maar met 3 geschiedenisleerkrachten om maar liefst 9 klassen te gidsen. Vakoverschrijdend aan de voorbereiding werken, 
leerkrachten die zelfs geen geschiedenis gaven, gidsten met plezier onze leerlingen een hele dag door het archeologisch park en museum. Die loyauteit
van mijn collega’s waarop ik jaar na jaar kon rekenen was zeer groot en een teken van ‘samen maken we school’.
 
5. Vind je de huidige generatie qua mentaliteit anders dan toen je hier begon les te geven?
We leven in een tijd waar alles heel snel gaat. De leerlingen hebben vaak minder geduld dan hun vroegere leeftijdgenoten en kunnen vaak minder geconcentreerd
en rustig de les volgen.
Het kunnen doorzetten, volhouden als het moeilijker is, valt meerderen ook moeilijker. Vaak hoor je het woord ‘leuk’. Studeren is/wordt leuk als je leerstof
onder de knie krijgt. Dat is iets anders dan het vrijblijvende woord leuk. Discipline en orde zijn zaken die vroeger sterker ingebed waren. Die 2 zaken
hebben ook hun waarde in het leerproces en daarop moeten we vaak extra inzetten.
Anderzijds is er een grotere openheid. Leerlingen zijn spontaner, wat maakt dat je sneller weet wat er in hen omgaat of hoe ze denken. Leerkrachten en
leerlingen staan ook dichter bij elkaar, een goede zaak als men ook weet waar de grens ligt en deze weet te respecteren.
Het engagement dat leerlingen voor activiteiten op zich nemen is dan weer meer aanwezig omdat ze ook meer verantwoordelijkheid krijgen.
 
6. Wat is volgens jou de kracht van Maris Stella?
Toen ik begon waren er maar ongeveer een 350 leerlingen. Het was een kleine katholieke school met een familiaal karakter. Dat karakter is bewaard gebleven
doorheen de groei. De school bruist van extra schoolse en buitenschoolse activiteiten. Er is voor elk soort leerling wel iets dat aansluit bij zijn/haar
interesses.
Het woord SAMEN staat hier centraal: samen werken we aan kwaliteitsvol onderwijs waar leerlingen kunnen groeien en zich ontplooien als totale persoon.
Als titularis hoorde ik bijna steeds als leerlingen het advies kregen een andere richting te kiezen die onze school niet kon aanbieden: “Ik ben hier zo graag, ik
ga niet graag weg”. Een mooier compliment kan ons leerkrachtenteam toch niet krijgen.
 
7. Heb je reeds grootse pensioenplannen in het vooruitzicht?
Grootse dingen hoeven voor mij niet. Door de coronacodes hebben we een aantal plannen even ‘on hold’ gezet. Dat halen we wel in. Cultuur en natuur
vervelen nooit. Daarvan kan ik enorm genieten. Daarvoor hebben we nu zeeën van tijd en dat kan zowel dichtbij huis zijn als verder weg.
Vrijwilligerswerk staat ook nog op mijn lijstje, maar dat gaat ook nog even op zich laten wachten.
Ik bewaar zo’n mooie herinneringen aan al die jaren - ze zijn gevlogen - aan de school naar mijn hart waar ik het mooiste beroep mocht waarmaken samen met 
zoveel leerlingen, fijne collega’s en de directie. Het is aan mij om jullie allemaal daarvoor heel gemeend dankjewel te zeggen.