De stad van melk en honing
 
 
In zonnestralen door de bomen geschenen 
zit een klein stadsdichtertje
met toegeknepen ogen gericht op de hemel,
zonder pen en papier 
tekent hij zijn gedichten in het zand
 
 
is dat dan wat ervan komt
          van huis weggelopen 
          maanden onderweg
eerst de kinderen en dan de rest
maar als de rest alleen nog maar resten zijn
zijn de kinderen geen kinderen meer 
en hebben ze niets
 
 
een traan loopt over de wang van het stadsdichtertje
en nog één
ratatatata
 
tssszoef                    BOEM
 
daar rolt de derde traan over zijn donkere huid
 
t-t-t-t-t
 
scht     scht     scht
 
de zon droogt zijn tranen snel
maar het verdriet blijft achter 
en ook hij blijft alleen achter
in deze nieuwe stad waarvan hij de straten al duizendmaal doorkruiste 
en in gedachten de Schelde al duizendmaal overzwom 
hij ziet bekende gezichten maar geen verwanten
en voert gesprekken in een vreemde taal
hij vond vruchten van thuis terug, maar ze smaakten niet hetzelfde
ze hadden niet die zoete smaak als in zijn herinnering
 
 
een glimlach verschijnt plots op zijn gelaat
het stadsdichtertje heeft teruggevonden wie hij  was verloren
en richt zijn blik nogmaals tot de wolken
daar rolt de vierde traan over zijn wang
 
 
is dat dan wat ervan komt
          de verbeelding die doet leven
 
 
Lore De Schutter (6H)